Elk kind moet voelen wat het kan.’

Wanneer het proces van die eerste vier jaar van de lagere school mooi is afgerond, is het tijd voor iets nieuws. Vol verwachting kijken de 5de klassers naar hun nieuwe leraar die hen de volgende twee jaar mee op weg neemt.

Het is tijd voor het echte werk. Plots komen er nieuwe periodes aan bod zoals: aardrijkskunde, natuurkunde en geschiedenis. De hoeveelheid leerstof neemt toe, het huiswerk wordt groter en de kinderen hebben nu echt ook periodetoetsen waarvoor ze moeten leren.

Een vijfde klasser voelt een ongelooflijke honger en wil erg graag laten zien wat hij kan. Nieuwe werkvormen worden aangebracht waardoor de kinderen de leerstof kunnen verdiepen en ook vanuit hun eigen interesses verder iets kunnen uitwerken. Een groepswerk rond de oude culturen, het bijhouden van een eigen logboek rond plantkunde, het maken van een strip rond de twaalf werken van Hercules… De kinderen verwerken de leerstof en delen ze met de klas. De leraar bekijkt vanop een afstand alle werkijver en voelt een warme en oprechte verbondenheid.

Na een jaar vol schoonheid en harmonie stappen de kinderen stevig de 6de klas binnen. Als echte Romeinen gaan ze grenzen aftasten en verleggen. Het nieuwe is er nu wel af en er klinkt al eens een zucht bij het woord huiswerk. Er worden antwoorden geformuleerd op een periodetoets die de leraar niet op voorhand bedacht had. Wanneer dit bevraagd wordt, volgt er plots een logische redenering waar niets tegen in te brengen valt. Een eerste begin van het causaal denken meldt zich aan. Wanneer oorzaak en gevolg dus plots duidelijk worden, is het als leraar niet moeilijk om het concept van grenzen even opnieuw uit te leggen. Wanneer deze verlegd worden, zonder onderlinge toestemming, heeft ook dat een gevolg…

Niet alleen bezieling maar vooral humor is cruciaal binnen deze leeftijd. De kinderen erkennen en waarderen de authenticiteit van de leraar en vanuit een wederzijds respect en vertrouwen worden grenzen samen verlegd.